
Wet op de adeldom
Artikel 2
1
De verlening van adeldom geschiedt door verheffing, inlijving of erkenning.
2
Verheffing in de adel bij koninklijk besluit kan uitsluitend plaatsvinden ten aanzien van leden van het koninklijk huis en van voormalige leden daarvan binnen drie maanden na verlies van het lidmaatschap van het koninklijk huis.
De verlening van de titels ?Prins (Prinses) der Nederlanden? en ?Prins (Prinses) van Oranje-Nassau? wordt bij of krachtens de Wet lidmaatschap koninklijk huis bepaald.
3
Inlijving in de Nederlandse adel kan slechts plaatsvinden ten aanzien van personen wier geslacht behoort tot de wettelijk erkende adel van een staat met een vergelijkbaar adelsstatuut en die het verzoek tot inlijving hebben gedaan.
a
te zamen met het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap;
b
te zamen met het afleggen van de verklaring ter verkrijging van het Nederlanderschap door optie;
c
te zamen met het bereiken van de meerderjarigheid bij de verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege indien de vader van de verzoeker het Nederlanderschap niet van rechtswege heeft verkregen.
4
Erkenning te behoren tot de Nederlandse adel kan uitsluitend plaatsvinden ten aanzien van personen die behoren tot een geslacht dat voor 1795 reeds tot de inheemse adel behoorde.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.